Actief meedoen in onze vereniging
Wat is er leuker dan de natuur in te trekken met mensen die dezelfde interesse of passie hebben? Dat doen de leden die zich hebben aangesloten bij een van de werkgroepen van Natuurvereniging Tholen. Soms is het praktisch werk, bijvoorbeeld het inventariseren van planten of vogels op Schor Alteklein, of samen de handen uit de mouwen steken bij het knotten van de wilgen bij de Eendenkooi. Maar ook kan je binnen de vereniging actief zijn op het gebied van communicatie, beleidsbeïnvloeding of bestuur. Zo is er voor iedereen wat te doen. Samenwerken met gelijkgestemden is altijd gezellig en leerzaam bovendien!
Natuur op Tholen en Sint Philipland
De natuur op Tholen en Sint Philipsland is verbonden met de geschiedenis van de eilanden. Langs de kust zijn er de uitgestrekte Schorren van Sint-Annaland, Slikken van de Heen, Slikken van de Dorsman, Rumoirtschorren en het kleine Schor Alteklein. Binnendijks vind je natuur bij oude dijkdoorbraken en langs voormalige kreken, zoals het Diepe Gat, de Geulse Weel, Pluimpot en Bruintjeskreek. De Eendenkooi en oude karrenvelden, zoals in de Scherpenissepolder, vertellen over de natuur en het werk van de mens. Bijzonder is de geschiedenis van het Rammegors: in de zeventiger jaren ontstaan als wilde natuur in een slibdepot van de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal, en sinds 2016 weer een getijdengebied.
Rubia Tinctorum
Het logo van Natuurvereniging Tholen heeft een directe link met de geschiedenis van Tholen. Bij een prijsvraag voor het logo kwam ‘Rubia Tinctorum’ oftewel meekrap als winnaar uit de bus. Eeuwenlang werd op de Thoolse akkers meekrap geteeld, een gewas waaruit verfstof werd gewonnen. De teelt bracht welvaart voor de boeren.
Uit de wortel van de meekrap – met blauwe bloempjes – werd de rode kleurstof gewonnen, die in de Nederlandse vlag verwerkt werd. De meekrapplant is inheems in West-Azië en Zuid-Europa. Het is een oude cultuurplant die al bij de oude Grieken en Arabieren bekend was om zijn geneeskundige werking. Ook als verfplant heeft meekrap al honderden jaren bekendheid. Vanaf de vijftiende eeuw waren Zeeland en Goeree-Overflakkee de belangrijkste productiegebieden van meekrap in Nederland.
Uit het pigment dat uit de gedroogde wortels van de meekrapplant wordt gewonnen, zijn roze tot donkerrode kleuren te verkrijgen. Het kleurende bestandsdeel is de stof ‘alizarine’. De wortel wordt na drie jaar geoogst. Vervolgens moet hij drogen. In warme landen gaat dat vanzelf, in onze streken werd daarvoor een meestoof gebruikt. De meeste meestoven zijn verdwenen, alleen de naam Stoofstraat herinnert er nog aan.
Een meestoof is een rechthoekig gebouw met verschillende ruimtes voor het droogproces. Na het drogen werd de wortel tot poeder gestampt. Dat gebeurde in het stamphuis. Zes houten stampers van 150 kilogram per stuk verpulverden als een soort heimachine de wortels in een eikenhouten bak van drie meter lang. Er werd alleen ‘s nachts gestampt, omdat men dacht dat de kwaliteit van de kleur onder invloed van het daglicht achteruit zou gaan. Het poeder werd vervolgens met waterdamp en zuur behandeld. De laatste stap in de bewerking was het toevoegen van aluminium- en/of tinhoudende zouten. De nu ontstane kleurstof is in water oplosbaar en te gebruiken om weefsel te verven.
Meekrap is in Nederland als verf in de textielindustrie (wol, zijde en katoen) gebruikt. Om wol te verven was 25-50 gram wortelpoeder nodig per 100 gram wol. Daarnaast werd meekrap ook gebruikt in de miniatuurschilderkunst, als pigment om olieverf of lijmverf (verf waarbij lijm als bindmiddel werd gebruikt) te kleuren.
Eind negentiende eeuw kon men alizarine voor het eerst synthetisch bereiden, met als gevolg dat de teelt rond 1920 ophield. Als gevolg van de teloorgang van de meekrapteelt is de plant nu bijna verdwenen.